Je winkelmandje (0)
Je winkelwagen is leeg!
Incl. btw. Verzendkosten worden berekend bij de checkout
Zijmenu
Incl. btw. Verzendkosten worden berekend bij de checkout
Een overtuigend landschap begint zelden met een grote doos verf. Juist met een beperkt, goed gekozen palet mengt u natuurlijkere kleuren, houdt u harmonie in het schilderij en leert u beter kijken naar temperatuur en licht. De beste olieverfkleuren voor landschap zijn daarom niet per se de meeste kleuren, maar de pigmenten die betrouwbaar mengen, voldoende lichtechtheid hebben en passen bij uw manier van schilderen.
Voor een zonnig duinlandschap hebt u andere accenten nodig dan voor een grijze polderlucht of een donker bos in tegenlicht. Toch is er een kernpalet waarmee u vrijwel ieder Nederlands of Europees landschap kunt opbouwen. Vanuit die basis voegt u pas kleuren toe wanneer een onderwerp daar echt om vraagt.
Een bruikbaar landschapspalet bevat een warme en een koele kleur aan beide kanten van de kleurencirkel, plus een helder wit en een donkere aardkleur. Daarmee mengt u veel meer dan met kant-en-klare groenen en grijzen. De keuze voor afzonderlijke pigmenten is ook praktischer: u weet beter welke kleur zich in een menging gedraagt zoals u verwacht.
Voor een startpalet zijn titaanwit, gele oker, cadmiumgeel licht of een vergelijkbaar helder geel, gebrande sienna, gebrande omber, ultramarijn en een koel blauw zoals ceruleum of ftaloblauw sterke keuzes. Voeg alizarine crimson permanent of quinacridonrood toe voor warme roodbruine mengingen, paarse schaduwen en subtiele tonen in de lucht.
Titaanwit is in de praktijk onmisbaar. Het is dekkend en krachtig, waardoor het snel lichte partijen maakt. Gebruik het met mate in de lucht: te veel wit kan een blauwe lucht krijtig maken. Voor zachte, transparantere lichteffecten kiezen sommige schilders daarnaast voor zinkwit, maar dat droogt anders en is minder geschikt als belangrijkste mengwit. Wie begint, heeft aan titaanwit voldoende.
Ultramarijn is een van de meest veelzijdige blauwen voor landschappen. Het is diep, relatief transparant en heeft een warme, licht roodachtige ondertoon. Meng het met gebrande sienna voor levendige neutrale donkerkleuren, met titaanwit voor koelere luchtpartijen en met gele oker voor natuurlijke groenen.
Ceruleumblauw is lichter, rustiger en vaak ondoorzichtiger. Het werkt bijzonder goed in een heldere ochtendlucht, in verre nevel en in kalm water. Het nadeel is dat het minder krachtig mengt dan ultramarijn en vaak duurder is. Als u één blauw kiest, is ultramarijn de breedste basis. Met twee blauwen krijgt u meer controle over warme en koele luchttonen.
Ftaloblauw is zeer kleurkrachtig en koel. Een kleine hoeveelheid is genoeg voor diep water, koele schaduwen of heldere groenmengingen. Dat maakt de kleur economisch, maar ook gevoelig voor overdosering. Gebruik hem liever als accentkleur dan als basis voor iedere lucht.
Gele oker hoort in bijna elk landschapspalet thuis. Deze gedempte aardkleur geeft direct geloofwaardige tinten voor zand, stro, herfstgras, gevels en zonlicht op een bewolkte dag. Met ultramarijn ontstaat een rustig, natuurlijk groen. Met gebrande sienna bouwt u warme grondtonen op zonder dat ze fel worden.
Een helder geel, zoals cadmiumgeel licht of een modern alternatief met vergelijkbare kleurkracht, is nuttig voor fris voorjaarsgroen en sterke lichtaccenten. Cadmiumpigmenten zijn geliefd om hun dekking en mengkracht, maar ze zijn prijziger. Een alternatief kan prima werken, zolang u kijkt naar de lichtechtheid en de kleurkracht op de tube.
Gebrande sienna is warm, transparant en ideaal voor onderschilderingen, boomstammen, dakpannen en warme schaduwen. Gebrande omber is donkerder en gedempter. Deze kleur helpt om snel diepte te maken in een bosrand, voorgrond of donkere oever. Beide aardkleuren voorkomen dat uw landschap te helder of te blauw wordt.
Rood lijkt op het eerste gezicht minder essentieel in een landschap, maar het bepaalt vaak of een menging leven krijgt. Permanent alizarine crimson of quinacridonrood geeft koele rode en paarse nuances in wolken, winterse schaduwen en avondlicht. Een warmer rood, bijvoorbeeld cadmiumrood licht of vermiljoen, is geschikt voor warme zonsondergangen, baksteen en accenten in herfstblad.
U hoeft niet beide soorten rood meteen aan te schaffen. Kies voor een koeler rood als u vooral realistische, stemmige landschappen schildert. Kies een warmer rood als u graag werkt met krachtig zonlicht of expressievere kleurcontrasten.
Een groene tube kan handig zijn, maar vormt zelden het beste uitgangspunt voor een heel landschap. Gras is niet simpelweg groen. In de verte wordt het koeler en valer, in de zon geler, in de schaduw blauwer of zelfs paarsig. Gemengd groen reageert vanzelf beter op die veranderingen.
Ultramarijn met gele oker levert een rustig olijfgroen op voor weilanden en verre bomen. Ultramarijn met een helder geel wordt frisser, terwijl ftaloblauw met geel een intens groen geeft dat u daarna kunt temperen met gebrande sienna of rood. Voor donkere bospartijen werkt ultramarijn met gebrande omber uitstekend. Het resultaat is dieper en geloofwaardiger dan zwart door groen mengen.
Sapgroen, viridian of chroomoxydgroen kunnen wel degelijk waardevolle aanvullingen zijn. Sapgroen is bruikbaar voor transparante glacis en snel loofwerk. Viridian is koel en helder voor water, koele vegetatie en gemengde turkooistonen. Chroomoxydgroen is juist mat en dekkend. Zie deze kleuren als specialisten, niet als vervanging voor een doordacht mengpalet.
Zwart kan een landschap vlak maken wanneer het rechtstreeks door kleuren wordt gemengd. Veel schilders maken hun donkerste partijen liever met ultramarijn en gebrande sienna, of met ultramarijn en gebrande omber. U krijgt dan een rijk donker dat warm of koel kan worden gestuurd en beter aansluit op de rest van het palet.
Ivoorzwart is desondanks nuttig voor wie graag gedempt werkt, bijvoorbeeld bij mist, winterlandschappen of tonale studies. Meng het spaarzaam met wit voor grijstonen. Een vooraf gemengd grijs is minder noodzakelijk: een grijs dat u mengt uit de kleuren van uw schilderij houdt de kleurharmonie sterker.
Let bij wit niet alleen op kleur, maar ook op consistentie. Een dikke, boterachtige olieverf maakt impasto en zichtbare penseelstreken prettig. Een zachtere verf is fijn voor dunne lagen en grotere vlakken. Werk u in lagen, houd dan ook rekening met het principe vet over mager: latere lagen moeten relatief meer olie of medium bevatten dan eerdere lagen.
De naam op een tube vertelt niet altijd welk pigment erin zit. Een kleur met de naam ‘cadmiumgeel’ kan een echt cadmiumpigment bevatten, maar een tint of hue kan zijn samengesteld uit moderne alternatieven. Dat is niet automatisch minder goed. Moderne pigmenten kunnen zeer lichtecht, krachtig en betaalbaarder zijn. Het verschil zit vooral in ondertoon, dekking, transparantie en menggedrag.
Kijk daarom naar het pigmentnummer, de lichtechtheid en het symbool voor transparantie of dekking. Voor werk dat u wilt bewaren of verkopen, zijn lichtechte pigmenten een verstandige keuze. Vooral in luchten en lichte partijen merkt u het verschil tussen een helder, stabiel pigment en een kleur die na verloop van tijd kan veranderen.
Studentenkwaliteit is geschikt om technieken te oefenen en kleurmenging te leren. Artist quality bevat doorgaans meer pigment, heeft een zuiverder menggedrag en biedt vaker keuze uit enkelvoudige pigmenten. Wie regelmatig landschappen schildert, kan het beste beginnen met een compacte set goede kleuren en die later gericht uitbreiden. Bekende lijnen van bijvoorbeeld Talens Rembrandt en Winsor & Newton bieden daarvoor zowel betrouwbare basis- als professionele keuzes.
Schildert u vooral Nederlandse polders, dan leveren gele oker, ultramarijn, gebrande sienna en een koel blauw vaak meer op dan een palet vol felle kleuren. De kracht zit in genuanceerde grijzen, gedempte groenen en wisselende wolkenluchten. Voor mediterrane landschappen of zonnige zomerweiden is een helder geel, warmer rood en eventueel een krachtig blauw zinvol.
Voor plein-air schilderen telt ook snelheid. Beperk uw palet, neem voldoende wit mee en kies kleuren die u blind kunt mengen. In het atelier kunt u uitgebreider werken met glacis, aanvullende groenen of bijzondere pigmenten. Er is dus geen universeel palet dat altijd het beste is - wel een sterke basis die u op onderwerp, licht en persoonlijke stijl aanpast.
Leg vóór u begint kleine kleurproeven naast elkaar: één voor de lucht, één voor het groen en één voor de donkerste partij. Daarmee ziet u direct of uw kleurenfamilie klopt. Een zorgvuldig gekozen beperkt palet geeft niet minder mogelijkheden, maar juist meer rust om het licht en landschap voor u te laten spreken.